Patellofemorale instabiliteit

>
>
>
Info voor zorgverstrekkers > Knie > Patellofemorale instabiliteit >

Anatomie:

  • De functie van het strekapparaat wordt bepaald door statische (beenderige-capsuloligamentaire) en dynamische stabilisatoren. 
  • De beenderige stabiliteit wordt bepaald door de vorm van de patella en de trochleaire groeve. 
  • De stabiliteit door de weke delen hangt af van de integriteit van het gewrichtskapsel, de spieren (quadriceps, patellapees, hamstrings en gastriocnemius), retinaculae en ligamenten, voornamelijk het mediaal patellofemoraal ligament (mpfl). 
  • Het mpfl is verantwoordelijk voor de stabiliteit in de eerste 30° flexie. Voorbij 30°wordt dit bepaald door de congruentie en de as van het patellofemoraal gewricht 
  • De as van het strekapparaat wordt bepaald door het centrum van de groeve van de trochlea en de aanhechting van de patellapees op de tuberositas (de zogenaamde TAGT meting). 
  • De rotatie van de femur (anteversie) en de as in het coronale vlak (valgus) spelen tevens een rol.

Pathofysiologie:

  • Patellaluxaties kunnen enerzijds atraumatisch zijn of traumatisch. Traumatische patellaluxaties komen voor na een axiaal trauma (thv de mediale zijde van de patella). 
  • Voorbeschikkende factoren:
    • Verhoogde TAGT (en Q-angle) 
    • Patella alta 
    • Trochleodysplasie (vlakke trochlea) 
    • Valgus alignement of rotatoire afwijkingen thv de femur 
  • Bij een patellaluxatie naar lateraal is er quasi steeds een ruptuur van het mpfl. 
  • Recidiverende patellaluxaties kunnen leiden tot kraakbeenlijden thv het patellofemorale gewricht en gepaard gaan met geassocieerde letsels agv het knietrauma (meniscusletsels, VKB rupturen, ….)

Anamnese: 

  • Acuut trauma (al of niet recidief) met verhaal van laterale positie patella. 
  • Wantrouwen in de knie, gevoel van doorzakken
  • Mogelijks geassocieerde anterieure kniepijn.

Klinisch onderzoek:  

  • Apprehensie + (= lateraalwaartse druk op de patella, te testen in verscheidene graden flexie).
  • Drukpijn thv mediale zijde van de patella of over het verloop van de mpfl.
  • PF compressie en grind test.

Oppuntstelling: 

  • Staande standaard röntgen opnames Face, Profiel, Axiaal . Ter nazicht anatomie (beenderige avulsie, patella alta, trochleodysplasie)
  • MRI of artro-CT met TAGT voor kraakbeenletsels
  • Zo nodig CT met bepaling van anteversie femur 
  • Weinig nut voor echografie

Behandeling: 

Conservatieve behandeling: 

  • Indicatie:
    • Eerste episode patellaluxatie 
  • Therapie: 
    • In geval van acute luxatie: Onmiddellijke repositie door de knie naar extensie te brengen
    • Punctie zo significante hydrops (hemartrose)
    • Initiële periode van rust met aanleggen van gips gedurende 1 week, nadien eventueel taping of stabiliserende brace. 
    • Nadien opstarten van Fysiotherapie (18 maal, 2-3 maal per week): nadruk op tonificatie van de vastus medialis, gangrevaldiatie en proprioceptie

Heelkundige behandeling: 

  • Indicatie: 
    • Recidief luxaties of geassocieerd instabiel intra-articulair letsel
  • Type ingreep: 
    • Mpfl-reconstrcutie
      • Quasi steeds noodzakelijk bij patellaluxatie 
      • Reconstructie met autologe gracilispeesgreffe ter hoogte van beenderige insiertie op femur en patella)
      • Cave open physen (loopen van greffe rondom adductor magnus) 

    • Tuberositas-osteotomie
      • Indien geassocieerde voorbeschikkende factoren:
        • Patella alta: distalisatie patella
        • Verhoogde TAGT: (antero-)medialisatie osteotomie. 

    • Varisatie-osteotomie
      • Bij significant valgus alignement, voornamelijk op het niveau van de femur

    • Trochleoplastie
      • Is een reshaping van de trochlea naar een diepere groeve.
      • Voornamelijk op jonge leeftijd, maar wordt zelden uitgevoerd.

    • Derotatieosteotomie thv de femur
      • Bij significant verhoogde anteversie

Nabehandeling:

  • Mpfl: Onmiddellijke steunname en mobilisatie binnen de pijngrenzen 
  • Tuberositas-osteotomie : PWB 4 weken, nadien progressieve steunname





    Terug