Kapsel en ligamenten

>
>
>
>
Gewrichten zijn omgeven door een kapsel. Rondom de gewrichten zijn er ook ligamenten (stevige kabels) die de uiteinden van de beenderen tegen mekaar houden. In de schouder bevinden de meeste ligamenten zich in het kapsel.  In het gewricht zelf zijn de uiteinden meestal bedekt met kraakbeen en wordt het gewricht opgevuld met vocht zodat er zo weinig mogelijk wrijving ontstaat. Het schouderblad zelf is verbonden aan de borstkast en dit enkel door verschillende spieren. 
Het is dankzij de unieke vorm van het glenohumeraal gewricht dat de schouder zonder moeite in alle richtingen kan draaien. We kunnen het glenohumeraal gewricht vergelijken met een voetbal op een bord. Een grote bol op een kleine kom zodat de bol vrij kan draaien. De weerszijde van die grote beweeglijkheid is dat de schouder het gewricht is dat het vaakst uit de kom kan springen (luxeren).
 
Gelukkig zijn er dus andere structuren die de humerus stevig aan het schouderblad verbindt. 
Ten eerste is er rondom het glenoïd een bandvormige verdikking (het labrum) dat bestaat uit stevig bindweefsel. Het labrum vergroot het gewrichtsoppervlakte en vormt een bumper rondom het gewricht. 
Ten tweede zijn er kabels of ligamenten die de twee beenderen met mekaar verbinden. In de schouder bevinden de meeste ligamenten zich in het kapsel. Die glenohumerale ligamenten zijn losjes wanneer de arm rust en spannen zich op bij bepaalde bewegingen. Zij voorkomen dat het gewricht verder gaat dan toegestaan is. Naast de glenohumerale ligamenten zijn er ook de ligamenten die het sleutelbeen stevig vastbinden aan het schouderblad (de coracoclaviculaire ligamenten). Het coracoïd (ravenbek uitsteeksel) is een uitsteeksel dat men vooraan de schouder kan voelen en waarop  onder andere de korte bicepspees zich vasthecht. Van het coracoïd vertrekt ook het coraco-acromiaal ligament dat samen met het acromion het dak van de schouder vormt. 






    Terug